19 maart 2026

Vragen over baggermethodiek en diepte Westerschelde

Om de haven van Antwerpen bereikbaar te houden is de vaargeul in de Westerschelde de afgelopen decennia meerdere malen verdiept en verbreed. Dit vraagt om jaarlijks grootschalig baggeren, waarbij het vrijkomende slib elders in de Westerschelde wordt gestort. Uit recent onderzoek van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) en de universiteiten van Utrecht en Antwerpen blijkt dat juist deze wijze van baggeren en terugstorten leidt tot een structurele verstoring van het ecologische evenwicht. De balans tussen slikken en schorren verschuift, met negatieve gevolgen voor biodiversiteit, Natura 2000-doelen en de veerkracht van het estuarium in het licht van zeespiegelstijging.

In het onderzoek wordt gesteld dat de afgelopen jaren slechts 600 hectare is gerealiseerd binnen het Natuurpakket Westerschelde en in dezelfde periode circa 500 hectare laaggelegen slik omgevormd is tot hoger gelegen schor, waardoor de beoogde winst aan dynamische slik- en pionierhabitats grotendeels weer is tenietgedaan, ondanks dat het totale areaal natuur niet is afgenomen. Wanneer maatregelen om economische doelen te bereiken met vergelijkbare kracht natuurcompensatie ondermijnen, ontstaat een situatie waarin beleid zichzelf neutraliseert. Dat kan niet de insteek zijn van een evenwichtige benadering.

Voor de fracties van CDA en SGP staat rentmeesterschap centraal: het zorgvuldig omgaan met natuur en landschap, in samenhang met economische bereikbaarheid, nautische veiligheid en de belangen van toekomstige generaties Zeeuwen. Nu de komende jaren opnieuw keuzes moeten worden gemaakt over vaargeulbeheer en baggervergunningen, achten wij het noodzakelijk om inzicht te krijgen in de feitelijke gevolgen van het huidige beleid én in mogelijke alternatieven.

Tegen deze achtergrond hebben de fracties van CDA en SGP Zeeland vragen gesteld aan het College van Gedeputeerde Staten. Daar is inmiddels ook antwoord op ontvangen: 

1. Op welke wijze en in welke fase(n) is de Provincie Zeeland betrokken geweest bij het onderzoek van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ)?
Op 6 januari 2026 hebben wij onder embargo de rapportage “De Westerscheldenatuur: Een mooie toekomst vraagt keuzes nu!” van het NIOZ ontvangen. De Provincie is geen opdrachtgever van het onderzoek, noch hebben wij inhoudelijke betrokkenheid gehad.
Het NIOZ voert, als onderdeel van een breder consortium, verdiepende monitoring uit binnen het NPW en rapporteert hierover aan een stuurgroep waarin naast de provincie ook diverse andere belanghebbende partijen zijn vertegenwoordigd. Tijdens het bespreken van (concept) rapportages over deze verdiepende monitoring ontstonden regelmatig discussies over de grootschalige ontwikkeling van de Westerschelde. Het NIOZ heeft op eigen initiatief en voor eigen rekening dit rapport opgesteld.

2. Is het bij GS bekend op welke wijze Rijkswaterstaat deze signalen heeft betrokken bij de verdere uitwerking en uitvoering van het beleid? En is dit onderwerp besproken binnen de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie (VNSC) en/of de Schelderaad?
2a. Zijn er in het verleden al signalen geweest dat de huidige baggermethodiek van zogenoemd ‘slim storten’ minder gunstig is voor het behoud van slikken dan eerder werd verondersteld?
De verantwoordelijkheid van het beleid en beheer van het Schelde-estuarium ligt in Nederland bij de ministeries van IenW en LVVN. Afstemming met Vlaanderen vindt plaats via de VNSC.
Rijkswaterstaat is de beheerder van het watersysteem en bevoegd gezag (namens IenW) voor het afgeven van de benodigde watervergunning en ontgrondingvergunning. Het ministerie van LVVN verleent de natuurvergunning.
Signalen van ophoging en schorvorming van platen (in de Westerschelde) en slikken (langs de dijken) zijn al langere tijd bekend. Dit is ook beschreven in de inhoudelijke evaluatie (T-2021) en het Lange Termijn Perspectief Natuur (LTP-N). Hierin constateert de VNSC dat schorvorming zijn oorzaak vindt in het samenspel van de vele ingrepen uit zowel het verleden als het heden, waaronder de bagger- en stortstrategie. De VNSC heeft het NIOZ rapport intern besproken en een reflectie (als nieuwsbericht) op haar website geplaatst.

2b. Zo ja, hoe is hiermee rekening gehouden bij de baggervergunningen die met regelmaat worden verstrekt door Rijkswaterstaat en andere bevoegde overheden? Zo nee, waarom niet?
Het vaargeulonderhoud in de Westerschelde wordt sinds 2010 vormgegeven volgens het principe van flexibel storten. Dat laat toe om in te spelen op morfologische evoluties in het systeem en op basis van de resultaten van monitoring de activiteiten bij te sturen. Hierdoor is het zwaartepunt van de stortstrategie het afgelopen decennium geëvolueerd van storten in nevengeulen en langs plaatranden naar het storten in diepe delen in de hoofdgeul.

3. Zijn er andere bestaande studie(s) of scenario’s waarin alternatieven voor verondieping zijn onderzocht zoals natuurcompensatie, aanpassing van het vaargeultraject, periodieke dynamische maatregelen of ontpoldering, binnen de topografische grenzen van het Natura 2000-gebied Westerschelde?
Het NIOZ heeft geen onderzoek gedaan naar alternatieven voor verondieping van de vaargeul. Daarnaast begrijpen wij niet wat met ‘periodieke dynamische maatregelen’ bedoeld wordt.
In antwoord op de vraag naar bestaande studies zijn er in het verleden verschillende onderzoeken gedaan naar alternatieven om natuurherstel vorm te geven (en niet naar alternatieven voor verondiepen). Deze gaan zowel over maatregelen binnen als buiten de begrenzing van het Natura2000-gebied. Zonder de intentie te hebben volledig te zijn, zijn ons de volgende onderzoeken en studies bekend:

  • Studierapport natuurontwikkelingsmaatregelen ten behoeve van de Ontwikkelingsschets 2010 voor het Schelde-estuarium. Rijksinstituut voor Kust en Zee/RIKZ, Instituut voor Natuurbehoud en Universitaire Instelling Antwerpen, vakgroep Ecosysteembeheer. Juni 2003.
  • Onderzoek Alternatieven Ontpoldering Westerschelde. Rapport van de Commissie Maljers. December 2006.
  • Wennen aan de Westerschelde. Advies commissie natuurherstel Westerschelde: alternatieven voor ontpoldering Hertogin Hedwigepolder. 2008.
  • Natuurherstel in de Westerschelde: De mogelijkheden nader verkend. Hoofdrapport. Deltares / Nolte. 2011.
  • Vervolgonderzoek drie buitendijkse maatregelen voor natuurherstel in de Westerschelde. Deltares, Arcades, Svasek Hydraulics. Kenmerk 1204087-000. 2012.
  • Natuurherstel van de Westerschelde; een systeemperspectief. Vogelbescherming Nederland. prof. dr. P.M.J. Herman en prof. dr. ir. M.J.F. Stive. Juni 2011.
  • Lange Termijn Perspectief Natuur (LTP-N); De uitkomst van een proces met belang–hebbenden uit Vlaanderen en Nederland. VNSC. 2024.

3a. Zo ja: Welke diepte (of bereik van dieptes) acht GS optimaal of wenselijk voor herstel of behoud van natuurkwaliteit in het Westerschelde-estuarium, rekening houdend met ecologische doelen en Europese verplichtingen (VHR/Natura2000 / Kaderrichtlijn Water). En kan GS die documenten meesturen of benoemen?
Het Lange Termijn Perspectief Natuur (LTP-N) is het enige onderzoek wat inzicht geeft in de vraag wat de effecten zijn van het aanpassen (verondiepen) van de vaargeul op de staat van de natuur.
Op pagina 20 van het LTP-N is, op basis van de kennis die via de VNSC beschikbaar is, een inschatting gemaakt van de effecten van stoppen met vaargeulonderhoud en de bijdrage daarvan aan natuurherstel. Samengevat stelt het LTP-N dat verondiepen van de hoofdgeul of de nevengeulen niet direct extra leefgebied (natuur) zal opleveren. Ingeschat wordt dat het positieve effect op de natuur zal ontstaan na meer dan 100 jaar. Daarmee is verondiepen geen realistische maatregel die de ‘slechte staat van instandhouding’ kan oplossen in de komende decennia.
In bijlage 4 van het LTP-N is het te verwachten effect van verondiepen op natuur nader uitgewerkt. Dit rapport is op 17 september 2024 (kenmerk 326307) met uw Staten gedeeld (zie commissie Ruimte, 4 oktober 2024, AP 104).

3b. Zo nee: ⁠acht GS het dan wenselijk om, zoals door CDA en SGP eerder bepleit, opnieuw en expliciet te kijken naar de staat van het verdrag over de vaargeul in relatie tot de staat van de natuur in de Westerschelde?
Nee, omdat wij inschatten dat dit niet realistisch is om twee redenen. De eerste leest u bij het voorgaande antwoord. Ten tweede betreft het ‘Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, enerzijds en de Vlaamse Gemeenschap [...] van het beleid en het beheer in het Schelde-estuarium (Middelburg, 21-12-2005)’ afspraken tussen twee nationale overheden. Provincie Zeeland was hierbij geen partij.
In artikel 16 van dit verdrag is bepaald dat als beide Verdragsluitende Partijen schriftelijk overeenkomen de afspraken gewijzigd kunnen worden. Hierbij moet voldaan worden aan constitutionele vereisten. Dit betekent concreet voor Nederland dat parlementaire goedkeuring nodig is (Staten-Generaal) en voor Vlaanderen parlementaire instemming door het Vlaams Parlement.

4. Wordt bij het huidige bagger- en stortbeleid gekeken naar de mogelijkheid om vrijkomend slib gericht in te zetten als bouwstof voor: versterking van laaggelegen dijkzones, natuurontwikkeling binnen het Westerschelde-estuarium en het toekomstbestendig maken van het Zeeuwse landschap in het licht van zeespiegelstijging?
Zoals bij antwoord 2b toegelicht wordt het vaargeulonderhoud in de Westerschelde sinds 2010 volgens het principe van flexibel storten vormgegeven. Het sedimentbeheer is erop gericht om sediment voor het Schelde-estuarium te behouden ten dienste van alle hoofdfuncties, waaronder het stimuleren van natuurontwikkeling binnen de grenzen van het Natura2000 gebied en het versterken van de Waterveiligheid.

4a. Zo ja, op welke wijze is de Provincie Zeeland hierbij betrokken en welke projecten of pilots lopen er momenteel of zijn in voorbereiding?
Wij hebben geen directe betrokkenheid bij het bagger- en stortbeleid.
Momenteel hebben de ministeries van IenW en LVVN een studie in voorbereiding waarin onderzocht gaat worden in welke mate natuurlijke processen zoals opslibbing kunnen bijdragen aan waterveiligheid, ecologische waterkwaliteit en een robuuste natuur, zowel op korte als lange termijn. Aanleiding hiervoor is de MER plicht voor het dijkversterkingsproject bij de Hoedekenskerkepolder. Wij zullen meedenken in de opzet en uitvoering van dit onderzoek vanuit de verantwoordelijkheid voor de zorg van de fysieke leefomgeving.
Daarnaast verwijzen wij u naar het Statenvoorstel Strategie zeespiegelstijging welke wij de komende maand met uw Staten willen bespreken.

5. Op welke wijze wordt in dit soort onderzoeken rekening gehouden met de positie van Zeeland, zowel vanuit economisch en historisch perspectief als vanuit de Zeeuwse identiteit en ervaring in het omgaan met water? En hoe kan deze positie nadrukkelijker als uitgangspunt worden meegenomen in toekomstige studies en beleidsafwegingen?
In de onderzoeken en beleidstrajecten waar de Provincie Zeeland betrokkenheid heeft, opereren wij vanuit onze eigen positie en verantwoordelijkheden. Daarbij maken wij ook gebruik van de geleerde lessen uit het verleden en wetenschappelijke inzichten. Om deze reden zien natuurlijke processen zoals opslibbing (waarvan het NIOZ constateert dat dit op plaatsen in de Westerschelde snel gaat) kunnen bijdragen aan toekomstige strategieën voor waterveiligheid en natuurherstel. Juist omdat het dit soort processen geweest zijn die Zeeland door de eeuwen heen gevormd hebben, liggen hier in onze optiek kansen en passen dergelijke concepten bij de Zeeuwse identiteit.

6. In het onderzoek wordt een expliciete positie ingenomen ten aanzien van de economische positie van de haven van Antwerpen. Deelt Gedeputeerde Staten deze analyse en conclusie, en zo ja, op welke gronden?
Nee, wij delen deze analyse en conclusie niet. Uit navraag bij het NIOZ blijkt dat de eerste alinea van paragraaf 5.5 niet als conclusie was bedoeld. Het betreft een reflectie op de huidige situatie die is ontstaan vanuit de historische context, en wat mogelijke scenario’s geweest zouden zijn geweest als de geschiedenis een andere loop had gekend.
De auteurs geven aan dat de feitelijke conclusie is verwoord in de tweede alinea van paragraaf 5.5. (“De Westerschelde staat op een scharnierpunt. etc.”).

7. Stel dat de praktisch beschikbare maximale diepgang op relevante gedeelten van de Westerschelde met 2,0 meter wordt teruggebracht (dus bv. van 16,0 m naar 14,0 m, of op lokaal niveau een daling van 2 m). Welke directe consequenties verwacht GS voor:
a. het aantal scheepsbewegingen per jaar (inschatting in % en absolute aantallen),
b. het aandeel schepen dat Antwerpen niet meer kan bereiken en daardoor moet uitwijken naar andere havens of vervangen moet worden door een ander scheepstype,
c. logistieke kosten voor havens/transport (grove inschatting of verwijzing naar kostenberekening).
Wij beschikken (nog) niet over informatie om deze vraag te kunnen beantwoorden. Uit navraag bij de VNSC bleek dat een dergelijke analyse of studie ook nooit is uitgevoerd. We zijn momenteel in overleg met verschillende partijen over de vraag of we de benodigde informatie beschikbaar kunnen krijgen. Op basis hiervan hopen wij de gestelde vragen te kunnen (laten) beantwoorden voor de zomer.

Het CDA en de SGP hechten eraan dat Provinciale Staten tijdig en volledig worden geïnformeerd, zodat zij hun kaderstellende en controlerende rol kunnen vervullen bij keuzes die langdurige gevolgen hebben voor economie, natuur en veiligheid in Zeeland.

8. Kan het College toezeggen om de resultaten van eventuele lopende of nieuwe studies over dit onderwerp actief te delen met Provinciale Staten, zodat de Staten hun controlerende en kaderstellende rol goed kunnen vervullen?
Voor zover wij als Provincie betrokkenheid hebben, zullen wij ons bekende en relevante informatie met uw Staten delen zoals bedoeld met de actieve informatieplicht.
Als u doelt op het delen van onderzoeken zoals het NIOZ gepubliceerd heeft, constateren wij dat het Schelde-estuarium onderwerp is van vele (wetenschappelijk) onderzoeken en studies. Hier is de provincie Zeeland vaak niet bij betrokken. Wij achten het derhalve ondoenlijk om alle onderzoeksrapporten over de Westerschelde actief met uw Staten te delen. En dat hoeft ook niet, want vaak komt deze informatie via verschillende digitale kanalen voor alle belangstellenden beschikbaar. En daarmee ook voor uw Staten.
Ten slotte is de website van de VNSC een belangrijke bron van informatie. Deze wordt actief bijgehouden en bevat de meest actuele informatie voor wat betreft het beleid en beheer van de Westerschelde.